Posts tonen met het label Teksten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Teksten. Alle posts tonen

dinsdag 31 mei 2016

Bjorn Roose schrijft - Hongaars leren in Aalst (Mecsek Magazine, zomer 2016)

Voor één keer een artikel in jpg-formaat, wegens gepubliceerd in een blad in pdf-formaat. Mecsek Magazine verschijnt vier keer per jaar, gaat "over Zuidwest Hongarije", en wordt gratis verdeeld via de gelijknamige site, Mecsek Magazine.

Steeds de moeite van het lezen waard, ook voor wie nog nooit in Hongarije of in de desbetreffende streek is geweest en het land een beetje wil leren kennen vooraleer erheen te reizen (op vakantie, bijvoorbeeld) en/of ook "in den vreemde" graag wat bekende grond onder de voeten houdt: Nederlanders en Vlamingen die zich daar gevestigd hebben, komen ruimschoots aan bod in het blad. Maar deze keer uiteraard nóg beter doordat er een artikel van mij in staat :-). U kan het ook hieronder lezen (klikken op de afbeelding voor een versie in groter formaat):


dinsdag 19 januari 2016

Bjorn Roose schrijft - Sprokkels uit de Moestuin (TeKoS, 160/2015, oktober/november/december)

De volledige tekst van onderstaand artikel verscheen in het conservatief cultureel tijdschrift van de Deltastichting TeKoS van oktober/november/december 2015. Omdat niet iederéén op dat schitterende tijdschrift geabonneerd is - nochtans een aanrader, waaraan u steeds gevolg kan geven via de webstek van de Deltastichting - hierbij een paar uittreksels:

"Spitsbergen, de in 1596 door de Fries Willem Barentsz ontdekte archipel, haalt zelden het nieuws. Niet echt eigenaardig: Svalbard (“koude kust”), zoals de archipel in het Noors wordt genoemd (“Spitsbergen” is nog slechts in gebruik als naam voor het grootste eiland), ligt halverwege continentaal Noorwegen en de Noordpool, is grotendeels bedekt met ijs, en telt nog geen 2700 menselijke inwoners. Spitsbergen genoot in vroeger jaren zelfs een danige splendid isolation dat de Duitse soldaten die daar naar het einde van WOII toe een weerstation bemanden en het radiocontact met Berlijn verloren, tot 4 september 1945 - een aantal dagen nadat ze hun radio hadden kunnen herstellen - moesten wachten om opgepikt te worden door een Noorse zeehondenjager. Ze waren de laatste Duitse soldaten die zich overgaven."

(...)

"Wie zei ook alweer: leer de Afrikanen vissen in plaats van ze vis te geven? Het blijft een werkbare strategie, ook als je afstapt van het loutere antropocentrisme. Het is bovendien een strategie die mensen van onze "strekking" ter zake al jaren als de enige werkbare zien: échte ontwikkelings-hulp. En de voordelen zijn ook voor ons, westerlingen, veelvoudig: onze eigen natuur wordt beschermd door de natuur aldaar te beschermen en mensen die daar een redelijk leven hebben, vluchten niet eerst naar de steden om vervolgens, zoals die andere trekvogels, naar Europa te verkassen. Want laat ons wel wezen: de menselijke trekvogels keren voor het overgrote deel nooit meer terug naar de plaats van herkomst, al zijn er (toch eigenaardig en dat fenomeen zullen we wellicht binnen afzienbare tijd ook kunnen waarnemen bij de "Syriërs" die nu de grens over komen) wel een hoop die ieder jaar een paar weken vakantie houden in het land waar ze zich toch zo onveilig voelden."

(...)

"En wat denken wij daarvan? Dat het, ook los van de menselijke belangen - Gaia bestaat uit meer dan onze soort alleen -, zinnig zou zijn soorten die nog niet geheel uitgeroeid zijn de kans te geven zich enigszins te herstellen. Waarom de vis niet eens overslaan? De tijden dat vrijdag visdag was omdat zulks een "versterving" inhield, zijn immers al lang voorbij. Waarom van vrijdag (en mogelijk een paar andere dagen) niet eens een vegetarische dag maken? Daar hoéf je heus geen dreadlocks voor te hebben ..."

(...)

"En nog eentje: "Wat we zelf doen, doen we niet altijd beter. De natuur levert - vaak onverwachte - oplossingen voor problemen, die hun deugdelijkheid soms al miljoenen jaren hebben bewezen. De natuur doet dat bovendien met zo weinig mogelijk grondstoffen - de natuur kent geen afval - en zo weinig mogelijk energie." Dat mochten we lezen in EOS - Maandblad over wetenschap van september 2015. We durven toch hopen dat aan die bevindingen niet al te veel onderzoek is voorafgegaan, want energie verspillen aan het intrappen van open deuren is iets wat mensen, in tegenstelling tot de rest van de natuur, ook ál te veel doen."

(...)

"Dat Monsanto en aanverwanten al jaren aan het werken zijn aan een opvolger van Roundup, een nieuw vergif, waarvan ze de geheimen weerom zo lang mogelijk zullen bewaren en waarmee we weer decennia zullen bewerkt worden, lijkt ons vanzelfsprekend (zo'n bedrijven wachten, zittend op hun berg geld, echt niet op wat er uit de lucht komt vallen). En dat we weer hetzelfde scenario tegemoet gaan als er niks veranderd aan onze mentaliteit (ook de onze, ja, niet alleen die van de bedrijven in kwestie) en in de wetgeving, ligt voor de hand. Zolang bedrijven hun spullen wel mogen verkopen aan eender wie, maar hun eigen onderzoeksresultaten omtrent die spullen geheim mogen houden, en onafhankelijk onderzoek van geen tel is, zal daaraan niets veranderen. Zolang wij, als consumenten van planten (én de dieren die een groot deel van die planten opeten), blijven denken dat vergif voor planten en/of dieren geen vergif is voor ons, verdienen we dat nog ook."

(...) 

"Onderzoekers uit de omstreken van de wieg van de mensheid (de kans dat de mensheid daar ook aan zijn weg naar het sterfbed begint, lijkt op het moment van dit schrijven met de dag groter te worden) hebben dan ook beroep gedaan op de Spitsbergse zaadbank om aan tarwe, gerst en grassen te komen die specifiek gedijen in drogere streken. Syriërs op Spitsbergen en zaad uit Spitsbergen in Syrië? O tempora, o mores."

(...)

"En, ja, ik geef het toe: dat de wereld slechts kan verbeterd worden door bij jezelf te beginnen, is een stokpaardje van me. Hoe meer mensen van zo'n beestje last hebben, hoe beter, wat mij betreft."

dinsdag 6 oktober 2015

Bjorn Roose schrijft - Sprokkels uit de Moestuin (TeKoS, 159/2015, juli/augustus/september)

De volledige tekst van onderstaand artikel verscheen in het conservatief cultureel tijdschrift van de Deltastichting TeKoS van juli/augustus/september 2015. Omdat niet iederéén op dat schitterende tijdschrift geabonneerd is - nochtans een aanrader, waaraan u steeds gevolg kan geven via de webstek van de Deltastichting - hierbij een paar uittreksels:

"Een tijdje geleden – precieze tijdsaanduidingen zijn vervelend in artikels waarvan je nog niet weet wanneer (en of) ze zullen verschijnen, dus waag ik me er niet aan – kreeg ik telefoon van Bert Dekeyzer, een van de heren die in triumviraat het hoofdredacteurschap van dit blad uitmaken. Of ik het misschien zag zitten om kopij te gaan leveren voor de, laat ons maar zeggen, groene kant van TeKoS? Kameraad Guy de Maertelaere is immers (en ik kan alleen maar hopen dat hij dat tegen de dag dat dit artikel verschijnt niét meer is) voorlopig buiten strijd en zijn rubriek behoorde tot de vaste waarden van dit blad, waardoor de hoofdredactie op zoek was naar vervanging.

Er is een tijd geweest waarin ik, een en al Sturm und Drang, zonder verder nadenken ‘ja’ zou geantwoord hebben op die vraag. En, dat kan u afleiden uit het feit dat dit rubriekje er is, ik heb ook deze keer ‘ja’ gezegd. Alleen met de toevoeging dat ik niet kon beloven dat ik voor iedere editie kopij zou leveren en met de achteraf opkomende gedachte dat ik nooit in de voetsporen kon treden van Guy. In vergelijking met hem heb ik werkelijk niks gelezen aangaande de onderwerpen die in zijn De groene hoek ter sprake kwamen (tenzij dan uiteraard wat hij er over schreef en een aantal boeken en tijdschriften waaraan hij aandacht besteedde), heb ik geen enkele autoriteit (ook niet op andere vlakken trouwens), en geen ervaring. Eerlijk, ik was (en ben nog steeds) bang compleet door de mand te vallen wat het ‘groen-rechtse’ thema betreft. En ik hoop dat de rubriek Schrijvers en lezers van deze Teksten, Kommentaren en Studies de volgende keer geen massa’s brieven te verwerken krijgt van lezers die me betrappen op onzuiverheden in de leer. Mijn hoop niet door Guy getrakteerd te worden op een pak rammel is zo mogelijk nog groter, maar ik ga er van uit dat hij als libertariër-die-van-koers-veranderde ook begrip zal hebben voor groentjes-die-nog-alles-moeten-leren.

(...) We beginnen die oogst in de tuin. Niet in de moestuin, maar in dat andere stuk dat toch nog steeds deel uitmaakt van heel wat ‘tuinen’ in Vlaanderen: het gazon. Inderdaad, ik schrijf ‘tuinen’ met aanhalingstekens, want het samenraapsel van buxussen, keitjes, betonnen plavuizen, parkeerplaats voor de tweede auto, plastic kabouters en een gekortwiekt grasmatje dat in vele gevallen voor een tuin moet doorgaan, is dat uiteraard niet, tenzij dan in de wel heel erg beperkte zin van “ruimte door een omheining, hek afgesloten”.

Oeps, daar gaat het positieve effect van de captatio benevolentiae, ‘meneer’ heeft iets tegen gewone mensen hun ‘hof’ ... Ja en nee. Ik noem zo’n stuk grond voor, achter of naast het huis geen tuin, maar ik ga er ook niet, pakweg, belastingen op heffen. En net dat was het ideetje waar Bart Backaert, hoofd van de Aalstse groendienst, half juni 2015 mee aan kwam draven: een stadstaks op gazonnen. Makkelijk te omzeilen, voegde hij er aan toe, door “je gazon [te]vervangen door een ecologisch paradijs, een siertuin vol bloemen of een bos vol fruitbomen”. En ook niet té verregaand, want hij zei niet te pleiten voor het volledig afschaffen van gazons, want “kinderen moeten kunnen spelen in de tuin”. Maar wél genoeg om de (radicaal) rechterzijde – of wat daarvoor moet doorgaan in onze contreien – in razernij te doen ontsteken. Een greep uit de reacties op Facebook (taalfouten inbegrepen): “Groene waanzin: aflevering 522. Misschien is het tijd voor een belasting op onzin …”, “Als de groen dan maar eerst belastingen opleggen aan hun eigen, het onkruid in hun tuin staat meters hoog, ge kunt ze er zo uithalen waar ze wonen”, “Die heeft te veel graspollen binnen gehad, den onnozelaar”, “Die heeft waarschijnlijk de paddestoelen die in zijn gazon stonden opgegeten”, “De Groene Khmer slaat toe! Er zitten er voor minder opgesloten!”, enzovoort, enzoverder.

(...) Geef mij dan maar het fietsknooppuntennetwerk (of fietsroutenetwerk). De onderdelen daarvan vormen verre van altijd de snelste verbinding tussen twee punten, ze lopen over voorbehouden fietspaden, boswegels, gewone wegen, kasseien, enzovoort, maar het netwerk bedekt inmiddels het grootste deel van Vlaanderen en Nederland, niet alleen de kortste lijn tussen de voornaamste steden. Wat in 1995 begon in het noordoosten van Limburg, telt nu zo’n 2750 kilometer in de provincie Antwerpen, 2000 in ‘Belgisch’ Limburg, 1680 in Vlaams-Brabant, 3440 in Oost-Vlaanderen, en 2610 kilometer in West-Vlaanderen. De kost: de bordjes waar nodig (overigens steeds in twee richtingen, zodat het netwerk in beide richtingen kan gebruikt worden), de webstek (waar je met een paar muisklikken je route kan plannen) en veel met graagte door vrijwilligers en gebruikers geleverde inspanningen om de bewegwijzering in orde te houden. In Wallonië bestaat het systeem zo goed als niet (wél in de ‘Oostkantons’ en met ingang van dit jaar in het westen van Henegouwen), maar in Nederland is het netwerk ook steeds groter aan het worden: Limburg is bijna geheel ‘gedekt’, net zoals Friesland, de Veluwe en de Achterhoek, de regio rond Almere (Flevoland), Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant (bijna 5000 km netwerk!), Utrecht en delen van Zuid-Holland. Het voorbeeld van de Lage Landen werkt zelfs zo aanstekelijk dat er her en der in Europa soortgelijke plannen op tafel liggen. Het zou dan ook zonde zijn dat middelen voor de verdere uitwerking van deze netwerken (die overigens ook mooi beginnen aan te sluiten over de kunstmatige grens die de Nederlanden scheidt heen) afgeleid worden naar de ‘fietsostrades’.

(...) Nu we toch in de restaurantsfeer zitten: Ikea, de Zweedse “meubelgigant” gaat ook aan uw gezondheid denken. Niet dat ze de meubels zelf in mekaar gaan steken voor de op dat vlak minder begaafden (een probleem dat ik zelf nooit gehad heb, dank u), maar in de restaurants van de winkels zijn inmiddels geen cola’s of limonades meer te krijgen. Deze zijn namelijk vervangen door “zes verschillende soorten fruitwater die uitsluitend natuurlijke smaak- en kleurstoffen bevatten, en vijftig procent minder suiker”. “De omschakeling van frisdrank naar fruitwater past in de nieuwe koers die Ikea vaart met voeding”, aldus de ‘food manager’ Merlijn Crébolder, die er aan toevoegt “We nemen ons volledig voedingsaanbod onder de loep om het gezonder en duurzamer te maken” en “Door cola en andere frisdranken in die dranktorens te vervangen door fruitwater kunnen we heel veel mensen op een betaalbare manier laten kennismaken met een gezonder alternatief”.

Een gruwelijk idee uiteraard volgens een aantal luiden ter “rechter” zijde die van oordeel zijn dat het “opdringen” van dat “gezonder alternatief” typisch linkse flauwekul is. Alsof iemand verplicht is te eten/drinken bij Ikea, nietwaar? Alsof de klant in een andere winkel wél koning is en bepaalt wat er te koop zal aangeboden worden. Alsof het wereldwijd, overal en altijd, kunnen “krijgen” van dezelfde frisdrank iets is wat rechts traditioneel voorstaat. Nee, ik vind het wel goed dat Ikea minstens op dat vlak tegen de hoofdstroom durft ingaan en nee, ik denk er niet aan nu wél in zo’n restaurant te gaan eten. Overigens, ik zou het toch wel zonde vinden als de winkelketen me van de mogelijkheid beroofde om me ter gelegenheid van de aankoop van een zoveelste zelf in mekaar te steken boekenkast weer eens te laten gaan aan zo’n supergoedkope en volkomen ongezonde hotdog in de “Zweedse shop”. Maar ik ga er niet over lullen als ze besluiten dat wél te doen.

(...) In 2008 moest Syrië, dat er altijd prat op gegaan was autonoom te zijn wat voedsel betreft en zelfs eten kon exporteren, voor het eerst en massaal beroep doen op internationale voedselhulp. Er ontstond een ongekende humanitaire crisis in de landelijke gebieden met daaruit volgend grootschalige interne volksverhuizingen, die de regering absoluut niet wist te beheersen. Het was ook in dezelfde landelijke gebieden, niet in Damascus of Aleppo, dat in 2011 de opstand ontstond, de “landelijke intifada” waarin de Bedoeïenen van de steppen een hoofdrol speelden. Francesca de Chatel, een Engelstalige Nederlandse met gemengd Vlaams-Hongaarse wortels, en gespecialiseerd in de combinatie water en Midden-Oosten, schreef in haar in 2014 verschenen essay The Role of Drought and Climate Change in the Syrian Uprising: Untangling the Triggers of the Revolution dan ook dat behalve de te snelle economische liberalisering, de hoge graad van werkloosheid en corruptie en de langdurige en verstikkende onvrijheid, het niet in staat zijn van de Syrische overheid om de snel uit de hand lopende ecologische crisis op de steppe, die zich gedurende 50 jaar van volgehouden wanbeheer geleidelijk ontvouwd had , aan te pakken, een van de sleutelelementen van het ontstaan van het gewapend conflict in het land is. Op zijn minst de moeite waard om even over na te denken, me dunkt."

maandag 8 juni 2015

Bjorn Roose schrijft - Over de agenda van Beste Buren in juni 2015

Weerom een nieuw artikeltje geschreven voor De Brug. Zoals vorige week een stukje culturele agenda, alleen dit keer die van het 1815-2015-initiatief Beste Buren. Lees hier Beste Buren - Op de agenda voor juni 2015.

dinsdag 2 juni 2015

Bjorn Roose schrijft - over Gent kleurt oranje

Vandaag nog eens een artikel gepubliceerd op de pagina's van De Brug. Over het Gentse cultureel themajaar 2015 gewijd aan "Gent kleurt oranje". Voor al wie belangstelling heeft voor verleden (en toekomst) van de Lage Landen, cultuur en/of Gent. Het moet niet altijd over Termont of over niet opgehaald vuil gaan. Lees hier: Gent kleurt (weer) oranje.

maandag 25 mei 2015

Bjorn Roose schrijft - Jean-Pierre Van Rossem en Jan Jaap van der Wal: verhuizen in de Nederlanden

De "werkweek" (even los van het feit dat we vandaag Pinkstermaandag schrijven) begonnen met het in vorm gieten van een artikeltje dat ik al grotendeels in gedachten had gisteren, na het lezen van De Zondag. Een artikeltje over de aangekondigde verhuis van Jean-Pierre Van Rossem naar de Noordelijke Nederlanden en Jan Jaap van der Wal naar de Zuidelijke Nederlanden. U vindt het artikel hier: Bjorn Roose schrijft - Jean-Pierre Van Rossem en Jan Jaap van der Wal: verhuizen in de Nederlanden.

maandag 18 mei 2015

Wedstrijd Taalunie: schrijf de mooiste sneeuwbalzin


Een sneeuwbalzin, ondergetekende had er ook nog nooit van gehoord. Maar het is, aldus de Taalunie, een zin bestaand uit steeds in lengte toenemende woorden. Zoals een sneeuwbal steeds in grootte toeneemt naarmate u ze verder rolt.

De stijlfiguur is ook als dusdanig opgenomen in het Groot retorisch woordenboek van Paul Claes en Eric Hulsens, “een staalkaart en inspiratiebron voor al dan niet professionele schrijvers”, uitgegeven bij Uitgeverij Vantilt. En dat boek kan u winnen door deel te nemen aan de nog tot en met 20 mei lopende wedstrijd van de Taalunie.

Gooi uw mooiste sneeuwbalzin op deze pagina en win een van de drie exemplaren van het Groot retorisch woordenboek. Lexicon van stijlfiguren die de Taalunie verloot. Doen! (Let wel: uw reactie komt pas ná moderatie op de pagina terecht.)

O ja, de inzending van Björn Roose ? Deze: “Ik, die veel beter binnen kleiner, intiemer, beperkter gezelschap functioneer, veronderstel onophoudelijk gestructureerd, onbetwijfelbaar, ongrondwettelijk marionettenbewind.”

vrijdag 15 mei 2015

Week van het Nederlands 2015

Ondergetekende is (of probeert dat toch te zijn) ook nog actief op andere pagina's. Onder andere op die van De Brug Magazine, de online verderzetting van het blad dat in 2014 twee keer in pdf-versie verscheen, maar toen tijdelijk op een laag pitje gezet werd wegens andere prioriteiten van de hoofdredacteur. Intussen zijn alle artikels van het blad echter overgezet naar de online versie en kunnen we daar opnieuw van start gaan.

Bij deze dus een doorverwijzing naar het eerste nieuw gepubliceerde artikel aldaar: Week van het Nederlands 2015.

vrijdag 6 maart 2015

Teksten - Op pad met Hertog Jan

Op pad met Hertog Jan

( Gepubliceerd in De Brug, augustus 2014)

Inleiding

Waar waren we gebleven ? O ja, bij het feit dat we het geluk hebben niet al te ver van de Nederlands-Belgische grens te wonen en dus wel eens een ritje naar de overkant kunnen maken om daar een paar biertjes te kopen.

Wel, dat ritje valt inderdaad reuze mee: met de fiets rijd je vanaf Sint-Niklaas bijna onafgebroken rechtdoor langs wat vroeger een spoorlijn was, maar nu een fietspad, tot je in De Klinge (Vlaanderen) / Clinge (Nederland) het zuiden voor het noorden inwisselt. Alleen het kopen van die biertjes was een stuk minder. We hadden niet de moeite gedaan vooraf even op te zoeken waar we gespecialiseerde drankenhandels vonden en moesten ons dus wenden tot de lokale supermarkten. En die bleken vooral … Belgische bieren in huis te hebben. Na een bezoek aan drie warenhuizen waren we gelukkig toch in het bezit van een zevental “speciaalbieren”: de intussen ook in Vlaanderen alom bekende tripel van La Trappe, een tweetal van Grolsch, en zowaar vier bieren van Hertog Jan. In afwachting van onze volgende oversteek en omdat we zélfs de pils van Hertog Jan niet slecht vonden toen we die tijden geleden voor het eerst dronken, openen we deze serie dus met de “speciallekes” van deze … Limburgse brouwerij.

Hertog Jan I van Brabant

Waarom eigenlijk dat beletselteken voor “Limburgse brouwerij” ? Omdat de hertog Jan waarnaar het bier vernoemd wordt uiteraard hertog Jan I van Brabant is. Van Brabant, inderdaad. Geboren in het Vlaams-Brabantse Leuven ergens in de periode 1252-1254 huwde deze hertog in 1269 Margaretha, een dochter van de Franse koning Lodewijk IX. Nadat deze Margaretha een goed jaar later overleed in het kraambed, zocht hertog Jan het geluk wat dichter bij huis en huwde in 1273 een andere Margaretha: de eerstgeboren dochter van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre, die uiteraard het bekendst is vanwege zijn aanhoudende problemen met de kleinzoon van Jans eerste schoonvader, die uiteindelijk zouden leiden tot Vlaanderens meest gedenkwaardige oorlogsfeit, de Guldensporenslag. Maar Jan I was behalve vader van vier erkende kinderen en een hele reeks bastaarden ook een krachtig heerser, die er in slaagde de Brabantse invloed tussen Maas en Rijn zodanig te versterken dat hij uiteindelijk ook het toenmalige hertogdom Limburg in handen kreeg.

Dat laatste ging niet zonder slag of stoot, al had hertog Jan zich dat wel zo gewenst. Toen Irmgard van Limburg, dochter van Walram IV van Limburg, namelijk kinderloos kwam te overlijden, kócht Jan het opvolgingsrecht als hertog van Limburg immers van één van haar erfgenamen. Dit was echter niet naar de zin van Reinoud I, echtgenoot van de overledene en vanaf 1286 echtgenoot van Margaretha van Vlaanderen, dochter uit het tweede huwelijk van Gwijde van Dampierre. Na jarenlange intrafamiliale schermutselingen (Reinoud I en Jan I waren immers halfzwagers van mekaar) en het daarmee weer in een bijzonder actief stadium treden van de al lang bestaande vijandelijkheden tussen Brabant en Gelre (Gelderland – Reinoud I was de zoon van Otto II, graaf van Gelderland) kwam het dan ook tot de grote botsing: de slag bij Woeringen (nu een stadsdeel van het Duitse Keulen) op 5 juni 1288. Daar stonden aan de ene kant Jan I met 1500 ridders gesteund door Arnold V van Loon (een leenman van Gwijde van Dampierre die overigens in 1302 een omweg maakte langs Jan II, de zoon van Jan I, om er niét bij te zijn in de Kortrijkse beemden) en burgers van de vrije rijksstad Keulen, aan de andere kant de troepen van de Luxemburgers, Geldersen, de aartsbisschop van Keulen, Siegfried van Westerburg en Limburgers met zo’n 2200 ridders. Ondanks het feit dat ze tegen een nogal duidelijke overmacht stonden, wonnen de Brabanders het pleit in de veldslag die een dag zou duren (ze verloren daarbij slechts 40 ridders tegenover 1100 aan de andere kant) en werd Limburg voor 500 jaar bij Brabant gevoegd, al zou de opvolgingsstrijd pas definitief eindigen in 1289, toen Filips IV “de Schone”, koning van Frankrijk, door bemiddeling Limburg wettelijk in het bezit van hertog Jan I stelde.

Maar hertog Jan was ook een levensgenieter en, naar verluidt, een minnezanger (onder andere het Middelnederlandse “Eens meien morgens vroege” wordt aan hem toegeschreven, lied waarvan het refrein “Harba lorifa, harba harba lorifa, harba lorifa” nog bewaard wordt in het bekende lied “Van Hertog Jan”, geschreven en op muziek gezet in 1947 door de Noord-Brabantse priesters Beex en van der Putt). En hoewel hij door zijn liefde voor jachtpartijen en riddertoernooien om het leven kwam (hij verongelukte in een toernooi in Bar-le-Duc, nu Frankrijk, toen nog hertogdom Lotharingen, deel van het Heilige Roomse Rijk) is het dus niet onlogisch dat de naam van de hertog, die overigens begraven werd in de Brusselse Minderbroederskerk, verbonden werd aan dit Limburgse bier.

Zo heette het echter niet van bij het begin. Daarvoor moest eerst een … Brabantse brouwerij in het spel komen.

Geschiedenis van de brouwerij

Op 2 maart 1915 richtten vier bevriende brouwers (Leopold Haffmans van Brouwerij de Roobeek, Geerard van Dijk van Brouwerij de Oranjeboom, August Schraven van Brouwerij het Anker, en Gerard van Soest) de Stoombierbrouwerij de Vriendenkring op te Arcen, gelegen aan de Maas en nu deel van Venlo. Ze brouwen er een bier van ondergisting of lage gisting (een manier van gisten waarbij lage temperaturen gebruikt worden, die langer duurt dan de toen gebruikelijke techniek van bovengisting, maar minder vatbaar is voor bacteriën, en als bekendste product pils oplevert) dat onder de naam VK bier (VK staat uiteraard voor “Vriendenkring”) de markt op gaat.

De brouwerij komt zwaar gehavend uit de Tweede Wereldoorlog (de Duitsers gebruiken het stevige gebouw als lokaal hoofdkwartier en de Geallieerden richten bij beschietingen ervan zware schade aan – kogelgaten zijn er nog steeds te zien) en de crisis en ondermaatse bierafzet brengt de brouwerij, ondanks het feit dat in 1945 begonnen wordt met de wederopbouw, in financiële problemen. In 1949 besluit de Vriendenkring alle aandelen te verkopen aan Bierbrouwerij de Drie Hoefijzers uit het Noord-Brabantse Breda. Die besluit de brouwerij en het merk VK Bier te laten bestaan en moderniseert in 1956 gebouwen en installaties.

In 1968 komt Brouwerij de Drie Hoefijzers echter op haar beurt in financiële problemen en wordt overgenomen door de Engelse Allied Breweries Limited. Deze groep besluit in oktober 1980 de brouwerij in Arcen en de bottelarij in Helmond (Noord-Brabant) te sluiten. Toon van de Reek, werkzaam in die bottelarij, en een tweetal vennoten zien dat niet zitten en besluiten de brouwerij in Arcen zélf verder te exploiteren. In 1981 wordt Stoombierbrouwerij de Vriendenkring herboren als Arcense Stoombierbrouwerij. Er wordt ditmaal gekozen voor bieren van hoge gisting ofte bovengisting. De pils wordt dus aan de kant gezet, maar reeds in 1986 worden de brouwers voor hun speciaalbieren beloond met een aantal gouden medailles.

Helaas, de geschiedenis herhaalt zich: op 29 oktober 1992 wordt de Arcense Bierbrouwerij weer overgekocht. Dit keer door de Verenigde Bierbrouwerijen uit, jawel, Breda-Rotterdam. In 1993 treedt de Maas buiten haar oevers. De schade in de brouwerij is echter snel hersteld en van de nood wordt een deugd gemaakt: er worden lagerkelders gebouwd, waardoor behalve speciaalbieren ook weer bieren van lage gisting kunnen worden gebrouwen, wat dan ook gebeurt.

De ene overname is nog maar net verwerkt of er komt al een andere aan: in 1995 wordt de brouwerij overgenomen door Interbrew Nederland (tegenwoordig onderdeel van AB Inbev) en drie jaar later krijgt de brouwerij uiteindelijk de naam waaronder ze nu bekend staat, Hertog Jan Brouwerij.

Tussen haakjes

Hertog Jan I van Brabant wordt trouwens wel vaker betrokken bij de productie van gerstenat. De hertog zou namelijk ook aangeduid zijn als Jan Primus (Jan de eerste, dus) en Primus is sinds 1975 (voorheen heette het Super 8) ook de naam van de pils die gebrouwen wordt door Brouwerij Haacht in het Vlaams-Brabantse Boortmeerbeek. Het logo van de pils in kwestie draagt zijn afbeelding te paard. En om de cirkel rond te maken: Brouwerij De Leeuw uit Valkenburg in Nederlands Limburg is sinds 2006 in handen van Brouwerij Haacht.

Wie welk bier brouwde, zou Jan Primus wellicht worst geweest zijn. Misschien was hij immers wel, zoals de Brabantse volkslegenden vertellen, die gulle en goedlachse vorst die in het gezelschap van gewone luiden genoot van spijs en drank. En misschien stond hij wel degelijk model voor Gambrinus, de bierkoning, wiens naam een verbastering lijkt van die van de hertog. Hij zou hoe dan ook naar alle waarschijnlijkheid de veelheid aan bieren van de Hertog Jan Brouwerij kunnen waarderen hebben.

Elk diertje zijn biertje

Behalve de pils – zoals gezegd pas in de jaren 1990 terug geïntroduceerd – brouwen ze daar in Arcen Lentebock, Weizener, Bockbier, Karakter, Dubbel, Tripel, en Grand Prestige. Het Bockbier, de Dubbel en de Tripel zijn we helaas niet tegengekomen bij ons oversteekje, maar we zijn wel van plan te genieten van de Weizener, de Lentebock, de Grand Prestige en Karakter. Gaan we u ook meegeven wat we van die biertjes denken ? Neen. Waarom niet ? Omdat smaken nu eenmaal verschillen en we niet zitten te wachten op brieven aan de redactie waarin ons vriendelijk doch met aandrang verzocht wordt het bierproeven over te laten aan mensen die er wat van kennen.

Maar … we kunnen u wél vertellen wat de brouwerij over de biertjes te vertellen heeft – uiteraard niets dan goeds, hoe zou u zelf zijn – en we gaan ook op zoek naar het oordeel van “professionele” zuipschuiten, excuseer, bierproevers.

Lentebock

Lentebock als biersoort kent een interessante geschiedenis. De soort ontstond namelijk … ondergronds. In 1539 verbood immers de vorst van Beieren het bierbrouwen in de zomer vanwege het brandgevaar dat het vuur onder de ketels vormde voor de droge zomervelden. Het volk aldaar hield iets te veel van bier om een zomer lang zonder te kunnen, dus brouwden ze elk jaar in maart een langer houdbaar bier: meer hop, meer alcohol, meer zuren. Het kreeg de naam Märzen ofte maartbier mee en de vaten werden ondergronds bewaard, in grotten en diepe kelders.

De legende gaat dat toen in latere jaren Ludwig I, vorst van Beieren, op een zekere dag in oktober trouwde met Therese von Saxe Hildeburghausen hij een groot huwelijksfeest gaf op een enorm weiland in München. Eten was er genoeg, maar bier kón er nog niet zijn aangezien de nieuwe oogst nog lang niet geschikt was om ervan te brouwen. De brave mensen van Beieren haalden echter hun ondergrondse voorraad aan Märzen boven en van toen af werd er in München ieder jaar een Oktoberfest gehouden met dat maartbier.

Bij Brouwerij Hertog Jan vinden ze het, naar eigen zeggen, zonde om te wachten tot oktober om dat frisse lentebier, in Nederland bekend onder de naam lentebock, te proeven. Daarom brengen ze het, zoals vele andere Nederlandse brouwerijen, al uit in de lente (in Utrecht gaat trouwens al enkele jaren begin april een Lentebockfestival door, waar dit jaar naar verluidt zeventien verschillende lentebocken te proeven waren).

Wat de naam betreft: de verklaring voor het “lente”-gedeelte las u hierboven al, “bo(c)k” is een algemene benaming voor “zwaarder” bier (over het ontstaan van die naam hebben we het later nog wel eens), bier dus met een hoger alcoholpercentage (dat daarom ook langer bewaart).

Bij Hertog Jan omschrijven ze hun Lentebock (die vroeger overigens Meibock heette) als “romig en fruitig”, “goudgeel”, met 7,2 % alcohol en te drinken op een temperatuur van 6 tot 10 graden Celsius. Bij Beeradvocate krijgt het lentebiertje een “rating” van 83 op 100 (wat daar in de categorie “goed” valt). Bij Ratebeer komt men tot een score van 2,86 op 5 en amper 28 op 100 in zijn soort.

Weizener

De Hertog Jan Weizener is volgens Gerard van den Broeck, brouwmeester van de Hertog Jan Brouwerij, het ideale tarwebier. Het zou namelijk het beste van een Duitse Weizen en een Belgisch witbier combineren, zijnde de kenmerkende “gruit” (het kruidenmengsel) en de frisse gist van dat laatste en de “lichtzoetige, zachtbittere en milde smaak” van het eerste.

Volgens de brouwmeester smaakt de Weizener, te drinken op een temperatuur van 3 graden Celsius en goed voor een alcoholpercentage van 5,7, “volmondig fris met karaktervolle bittertonen en een prettig stevige afdronk” en is ie “diepgoud met een lichte nevel”. Volgens Ratebeer scoort hij 3,05 op 5 en 60 op 100 in zijn soort, volgens Beeradvocate is hij 81 op 100 waard, daarmee nog net binnen de categorie “goed” vallend.

Bockbier

Dat we het Bockbier niet vonden in de supermarkt zal wellicht liggen aan het feit dat we daarvoor te vroeg waren. Dit bier luidt namelijk – zoals de Lentebock dat doet met de lente – de herfst in. Het was vroeger dan ook het eerste bier dat gebrouwen werd van de nieuwe hop- en moutoogst. Maar het was ook ondergistend. Bij Hertog Jan hebben ze er een bovengistend bier van gemaakt, waardoor, weerom volgens de brouwmeester, de smaak ervan – “vol, romig en karamelachtig” – beter tot zijn recht komt. Het Bockbier is robijnrood, te drinken op een temperatuur van 10 tot 12 graden Celsius en heeft een alcoholpercentage van 6,5. Volgens Beeradvocate 82 op 100 waard, volgens Ratebeer 3,19 op 5 en 83 op 100 in zijn soort.

Karakter

Ook voor Karakter ging brouwmeester van den Broeck in de zuidelijke Nederlanden kijken. Alhoewel: Karakter is een “ale” en het brouwen van “ales” is natuurlijk een Engelse traditie. Die Engelse traditie kwam echter via John Martin in 1909 terecht in België en al spoedig leerde men in de zuidelijke Nederlanden zélf hoe men dat lekkere spul moest brouwen. Waarna ook de noorderlingen volgden.

Karakter wordt gebrouwen op basis van vier verschillende typen mout, waarvan het mengsel aangeduid wordt als Hertog Jan Mout. Resultaat is volgens de brouwerij een roodkoperkleurig bier met “een fruitige smaak met volwassen bittertonen”. 7,5 % alcohol, te drinken op een temperatuur van 6 tot 8 graden Celsius, en volgens Ratebeer amper 2,98 op 5 waard (zelfs maar 14/100 in zijn soort). Beeradvocate geeft er een score van 81 op 100 aan.

Dubbel

Geen verhaaltje bij dit bier op de webstek van de brouwerij. Je krijgt er enkel te lezen dat het een traditioneel bier van hoge gisting is, waarbij de aanduiding “dubbel” van oudsher verwijst naar de dubbele hoeveelheid ingrediënten. We besparen u de welwillende instructies die u ter consumptie meekrijgt, maar geven u wel nog mee dat het bier “aangenaam bitterzoet” (“moutig en iets zoetig”), donkerbruin, op 6 tot 10 graden Celsius dient gedronken te worden en 7,3 procent alcohol bevat. Ook dit speciaalbier krijgt vanwege Beeradvocate 81 op 100, bij Ratebeer vonden ze het beter dan alle andere tot nog toe besproken soorten (3,31 op 5) en in zijn soort scoort het 78/100.

Tripel

Wie een dubbel kan brouwen, kan een tripel brouwen. Er gaan drie keer zoveel ingrediënten in als in een “gewoon” biertje en het is doorgaans ook de soort met het hoogste alcoholpercentage. Genoeg om zichzelf te verkopen oordeelde de brouwmeester wellicht, want ook hier geen verhaaltje op de webstek. De tripel is uiteraard blond (“mooi blond”), “krachtig, zoet, moutig en fruitig”, en de nagisting op fles “zorgt voor een frissere en rijkere smaak”. 8,5 procent alcohol, te drinken op een temperatuur van 6 tot 10 graden Celsius.

Leuk vinden wij dat hij verkocht wordt in een halve-literkruik met kurk, net zoals de Dubbel overigens. De mensen van Ratebeer vonden hem helaas niet zo lekker als de dubbel (3,24/5 en 50/100 in zijn soort), bij Beeradvocate kreeg hij net zoals de Weizener, Karakter en Dubbel 81 op 100.

Last call: Grand Prestige

Het laatste speciaalbier voor deze aflevering wordt door de brouwerij aangeduid als het “kroonjuweel”. De mythe die er rond verspreid wordt is dat meesterbrouwer van den Broeck ergens in 2001 door de kelders liep en er toevallig een pallet vol “verweerde flessen” van Grand Prestige aantrof. Die zouden er al vóór de overstroming van de Maas hebben gelegen (slecht voorraadbeheer ?) en het bier zou niet alleen helder geweest zijn, maar ook “overweldigend rijk” geroken hebben en zich qua smaak kunnen meten “met een bijzondere vintage port”. Altijd opletten met dat soort verhalen, maar tegenwoordig laten ze bij Hertog Jan Brouwerij in ieder geval hele voorraden Grand Prestige rijpen in de grote kelder.

Ook deze Grand Prestige wordt, zoals Karakter, gebrouwen op basis van de Hertog Jan Mout-mengeling en wordt omschreven als een “gerstewijn van hoge gisting”, “vol en rijp, zoet en bitter”, met een alcoholpercentage van 10 en te drinken op 10 tot 12 graden Celsius. Hij is verkrijgbaar in alle formaten (30 cl, 50 cl en 75 cl) en, zoals de andere bieren van de brouwerij, van het vat.

Je kan deze Grand Prestige dus rustig laten rijpen, al stond op de flessen die wij kochten wel een houdbaarheidsdatum die amper anderhalf jaar in de toekomst lag. Hij kreeg van Ratebeer in ieder geval de beste score van de Hertog Jan-bieren: 3,51 op 5 (zij het dat ze hem maar 51/100 in zijn soort gaven). Bij Beeradvocate bedachten ze hem met een 87/100, wat hem als enige in de categorie “very good” doet belanden.

Tot slot

Je kan, zoals bij vele grote brouwerijen het geval is, de Hertog Jan Brouwerij bezoeken (voor een kleine 13 euro krijg je er een geschenk en een glas pils bovenop) en in 2006 werd – verwijzend naar de oorspronkelijke oprichters van de brouwerij – een zogenaamde Vriendenkring gestart. Deze telt intussen ruim 200 cafés-leden, die zich volgens de brouwerij onderscheiden door de “kwaliteit van gastheerschap, service, ambiance en bierbehandeling”.

Eerlijk, we hebben toen we de grens overtrokken op zoek naar bier wel op een terrasje gezeten, maar niét dat van het lokale Vriendenkring-lid. Niet omdat we dat niet wilden, maar omdat we het niet wisten (op het schildje dat een café als dusdanig aanduidt, hebben we niet gelet) en omdat álle terrassen behalve dat ene volzet waren. Op dat ene terras werd niet één noord-Nederlands bier geschonken en de conversatie aan het tafeltje naast ons was om “er de muren van op te lopen”. Volgende keer dus toch maar eens een bezoekje brengen aan de Rentree …

Björn Roose

dinsdag 3 maart 2015

Teksten - De begijnhoven

Werelderfgoed – De begijnhoven

(Gepubliceerd in De Brug, augustus 2014)

Inleiding

Wie het over begijnhoven - onze eerste stop in de tocht langs het Werelderfgoed in de Nederlanden - wil hebben, doet er goed aan eerst even stil te staan bij het fenomeen van de begijnen en begarden. Al is het maar omdat we niet meer kunnen stil staan bij de personen in kwestie. Het laatste begijntje ter wereld (om een of andere reden worden ze vaak aangeduid met het verkleinwoord), juffrouw Marcella Pattyn, overleed immers op 14 april 2013 te Kortrijk. Dat was ook de stad waar ze tot enkele jaren voor haar overlijden in het begijnhof had doorgebracht. De laatste Noord-Nederlandse begijn, juffrouw Cornelia Frijters, die op het begijnhof van Breda woonde, stierf reeds in 1990. Wanneer de laatste begard, de mannelijke variant, overleden is, kunnen we helaas niet zeggen.

Begijnen zowel als begarden waren alleenstaande leken die binnen de Rooms-katholieke kerk in een vrije gemeenschap leefden, doorgaans gevestigd in een zogenaamd begijnhof. Ze legden, in tegenstelling tot kloosterlingen, geen eeuwige geloften af, met uitzondering van die van de kuisheid, en mochten dus ook hun geldelijke en onroerende eigendommen behouden. Dat – niet onbelangrijk voor vrouwen die reeds eigendommen hadden – en het feit dat het samenlevingsverband in een begijnhof in tegenstelling tot dat in een klooster losser en niet onomkeerbaar in de tijd was, kon niet weinig vrouwen, ook uit de hogere standen, aantrekken. Hoewel de patroonheilige van de begijnen en de begarden de heilige Begga is, heerst er onduidelijkheid over het antwoord op de vraag of de termen ook van de heiligennaam zijn afgeleid.

Bekende begijnen en aanverwanten

Het feit dat het hier om vrome vrouwen ging, die de religieuze kalender als leidraad voor hun hele leven gebruikten, kon niet verhinderen dat ook zij, individueel of in groep, geviseerd werden tijdens de heksenvervolgingen. Zo stierf in 1310 Margarete Porete, auteur van het in het Picardisch geschreven mystieke werk “Spiegel der eenvoudige [,vernietigde] zielen [, die enkel in wil en verlangen naar liefde verwijlen]”, op de brandstapel te Parijs. Niet alle exemplaren van het werk werden echter vernietigd en ze vonden in vertaling hun weg door heel Europa, onder andere wellicht tot bij Jan van Ruusbroec (Ruisbroek nabij Brussel), een van de belangrijkste mystici van de zuidelijke Nederlanden, wiens oorspronkelijk in het Middelnederlands geschreven werken al spoedig vertaald werden naar het Latijn.

Over mystici gesproken: Hadewijch van Antwerpen kent u ongetwijfeld. Zij was naar alle waarschijnlijkheid een begijn en schreef zelf in een Brabantse variant van het Middelnederlands, al was ze duidelijk met zowel Latijnse theologische teksten als met de Franse traditie van de minneliederen vertrouwd, wat voor een vrouw in die tijd eerder uitzonderlijk was. In haar Lijst der Volmaakten heeft ze het overigens onder andere over … een begijn die door een inquisiteur is vermoord. En ook zij kon Jan van Ruusbroec tot haar “fans” rekenen.

Een laatste bekende naam als het om begijnen en begijnhoven gaat, is die van Christine de Pizan. Hoewel ze zelf geen begijn was en zich pas jaren na de dood van haar echtgenoot terugtrok in een klooster, reageerde ze in 1405 met een allegorie tegen het werk van een zekere Mathéolus, die de vrouw van nature zondig achtte. Die allegorie, het Boek van de Stad der Vrouwen (Livre de la Cité des Dames), geeft een soort geïdealiseerd concept van het toenmalige begijnhof weer.

Dagelijks leven in het begijnhof

Aangezien er nogal wat gegoede dames onder de begijnen waren, werden ook de dagelijkse bezigheden, gericht op onderhoud van zichzelf en de gemeenschap, verdeeld naar rang en kunnen. In sommige gevallen leverden de begijnhoven ook gespecialiseerde diensten, vooral handenarbeid, aan de lokale bevolking, maar de bezigheden richtten zich hoe dan ook naar de dagen en de uren van de religieuze praktijk. Vanaf het einde van de 13de eeuw kregen kandidaat-begijnen onderwijs aan speciale scholen in de grotere begijnhoven, wat er voor zorgde dat via het doorgeven van dagelijkse rituelen en seizoenvieringen ook een traditie van oude gezangen en dansen werd levend gehouden, die niet altijd kon rekenen op goedkeuring van de kerkelijke vertegenwoordigers.

Hoewel het begijnhof werd beheerd door een grootmeesteres, bijgestaan door “gewone” meesteressen, stonden de begijntjes voor hun geestelijk leven immers onder het gezag van de bisschop en zijn vertegenwoordiger, de pastoor. Niet echt eigenaardig dus dat behalve individuele begijnen (die soms ook in gemeenschappen buiten de begijnhoven leefden) af en toe ook alle inwoonsters van een begijnhof vervolgd werden. Via het Concilie van Vienne (1311-1312) werden, vooral in het Duitse Rijk, maatregelen genomen tegen de “ketterse” begijnen en begijnhoven die gesloten of omgevormd werden tot franciscaanse kloosters, die véél beter onder controle stonden en afhankelijk waren van de clerus. In 1325 bepaalde de bisschop van Luik zelfs op straffe van excommunicatie dat de begijnen “niet in het openbaar zullen dansen of onbehoorlijke liederen zingen”, een clausule die men ook terugvindt in de contemporele begijnenstatuten van Sint-Truiden en Antwerpen.

Organisatie

We hadden het hierboven al over de grootmeesteres, de “gewone” meesteressen, en het feit dat de dagelijkse bezigheden verdeeld werden naar rangen en kunnen. Er was dus een hiërarchie. Een hiërarchie die niet alleen de rol betrof die elk speelde, maar ook de plaats in de kerk bepaalde.

De grootmeesteres had de leiding van het begijnhof en was gekozen door de “gewone” meesteressen als verantwoordelijke voor het doen naleven van de statuten en de controle op de algemene organisatie. Grote begijnhoven konden meerdere grootmeesteressen hebben en een grootmeesteres werd bijgestaan door een of meerdere zogenaamde “momboren”, mannen met een volmacht om geldverhandelingen voor het verwerven van eigendommen en eventuele rechtszaken voor het begijnhof uit te voeren, omdat het vrouwen verboden was die handelingen te stellen.

Rechtstreeks onder de grootmeesteres fungeerden de meesteres van het hospitaal, de meesteres van de kerk en de portierster. De meesteres van het hospitaal was tevens schatbewaarder omdat het hospitaal ook de begijntjes verzorgde die geen eigen inkomen meer hadden wegens ziekte of eigendom. De “kiste” of “tafel van de heilige Geest” werd gespijsd door de wekelijkse afdrachten van de begijnen, schenkingen en testamentaire giften. De meesteres van de kerk, de “kosteres”, had niet alleen de leiding over het koor, maar beheerde ook de uitgaven voor de kerk en het onderhoud daarvan. De portierster had de controle over het verkeer in en uit het begijnhof. Zij sloot en opende de poort en noteerde het komen en gaan van de begijntjes en van de leveranciers, werklieden en bezoekers.

Net onder die drie meesteressen vinden we de meesteressen van de conventen (de gemeenschappelijke huizen). Zij waren verantwoordelijk voor de algemene orde en de werking van het hen toegewezen convent, zorgden voor vorming van de novicen (aspirant-begijnen dus) en het laten respecteren van de specifieke regels opgelegd door de stichter (gebeden en andere godsdienstige oefeningen ter nagedachtenis van die stichter en zijn familie).

De verdere rangorde was een kwestie van … geld. Hoogst genoteerd stonden de begijnen die een eigen huis op het begijnhof bezaten, daarop volgden de begijnen die een kamer huurden in een van de grotere huizen, ten slotte de begijnen en novicen die in een van de conventen verbleven omdat ze geen eigen inkomen hadden. Zij moesten werken om in hun onderhoud te voorzien en kregen naargelang het convent hulp bij de aankoop van voedsel, hout voor de verwarming en een aantal extra’s tijdens de winter, maar de kosten voor het onderhoud van het convent werden voor een lange periode voorzien door de stichter.

Wat de plaats in de kerk betreft: tijdens de misvieringen zat(en) de grootmeesteres(sen) vooraan, daarachter de meesteressen, de eigenaressen van huizen, de huursters en ten slotte de novicen of arme begijnen.

De Lage Landen

U wist al dat de begijnhoven tot het Werelderfgoed behoren in de zuidelijke Nederlanden, maar ze zijn ook werkelijk ontstaan in de Lage Landen. Reeds in de 11de eeuw vormden ze de infrastructuur voor wat Jacob van Vitry in 1215 omschreef als “een nieuw spiritueel samenwerkingsverband, op instigatie en inspiratie van heilige vrouwen”. Deze “heilige vrouwen” reageerden met een leven van eenvoud, armoede en kuisheid tegen een hogere geestelijkheid die openlijk aan concubinaat (samenleven met vrouwen, wat – voor onze lezers van protestantse huize – in de katholieke kerk verboden is voor geestelijken) deed en nog nauwelijks aandacht had voor de parochianen.
Johanna en Margaretha, gravinnen van Vlaanderen, begunstigden de beweging door begijnhoven te stichten in Gent (1234), Valencijn (Valenciennes, 1239), Kortrijk (1242), Rijsel (1245) en Dowaai (Douai, 1245). Intussen predikten Norbertus van Gennep (Limburg, de latere Sint-Norbertus) en Franciscus van Assisi boetebeleving en armoede, kwam er een verdieping van het geloofsleven en kreeg dit een nieuw en menselijker karakter. Overal in Europa, van Scandinavië tot in Spanje, trokken religieuze vrouwen zich terug uit de wereld en kregen in de volksmond de spotnaam “begijnen”, die hen ook enigszins aan de ketterse stromingen genre Albigenzen verbond, hoewel paus Innoncentius III al in 1216 officieel instemde met de nieuwe beweging en langzaamaan de bijgedachte aan ketterijen verdween. Tegen het eind van de 13de eeuw concentreerde de beweging zich voornamelijk in de zuidelijkste en zuidelijke Nederlanden, Brabant, Luik, de Rijnstreek (van Keulen tot Bazel), Italië en Zuid-Frankrijk.

Toen ten gevolge van het Concilie van Vienne de vervolgingen tegen begijnen begonnen, verdedigden de bisschoppen in de Lage Landen voor het overgrote deel het orthodoxe van de begijnen in hun bisdommen en verkregen daarom van verschillende pausen vrijstellingen, waardoor de gemeenschappen zich verder konden uitbreiden. Dat gebeurde in de praktijk wel nog slechts waar die gemeenschappen zich samenvoegden in de ommuurde begijnhoven die tussen zonsondergang en zonsopgang van de buitenwereld werden afgesloten. Hun statuten dienden bovendien door de bisschoppen te worden goedgekeurd. Ondanks die beperkingen maakte de beweging in de 15de eeuw in bepaalde steden tot 5 procent van de totale bevolking uit en telden begijnhoven als die van Keulen, Mechelen en Gent op hun hoogtepunt meer dan 2000 bewoners.

In de loop van de volgende eeuwen zouden vervolgingen in zuidelijk Europa, Zwitserland en Duitsland er voor zorgen dat tegen het einde van de 18de eeuw begijnhoven nog vrijwel uitsluitend in de Nederlanden voor kwamen. Sinds 1998 zijn dertien van deze begijnhoven, alle gelegen in de zuidelijke Nederlanden, beschermd als Unesco-Werelderfgoed. Deze bevinden zich in Hoogstraten, Lier, Mechelen, Turnhout (telkens provincie Antwerpen), Sint-Truiden, Tongeren (provincie Limburg), Dendermonde, Gent, Sint-Amandsberg (Oost-Vlaanderen), Leuven, Diest (Vlaams-Brabant), Brugge en Kortrijk (West-Vlaanderen).

Dat van Lier zou het oudste in de zuidelijke Nederlanden zijn. Anton Pieck, die er tekeningen ging maken, schreef: “Ik houd van details. Zoals deze kleine zaken rondom het Begijnhof. Een klein poortje met een karakteristieke lantaarn. Zo’n gevelsteentje dat ik in de Begijnenstraat zag en natuurlijk de toren van het stadhuis. Tsja, hier heb ik veel voetstappen liggen”. Maar ook: “Dit is de ingang van het Begijnhof. Er waren daar vroeger mooie hoge bomen. Die hebben ze allemaal omgehakt en er is een keurig parkje voor in de plaats gekomen. Gemeentebesturen weten vaak niet wat ze doen”.

Maar behalve die dertien, door deskundigen ingedeeld als “van het stedelijke type”, “van het pleintype” en “van het gemengde type”, zijn er nog dertien andere over (want sommige zijn helemaal of zo goed als volledig verdwenen of niet meer van “universele” waarde) in de zuidelijke Nederlanden: Antwerpen, Herentals, Mechelen (waar behalve het erkende Groot Begijnhof ook nog een niet erkend Klein Begijnhof is), Borgloon, Hasselt, Aalst, Gent (ook daar een niet als Werelderfgoed erkend Klein Begijnhof), Oudenaarde, Aarschot, Leuven (weerom een niet erkend Klein Begijnhof), Overijse, Tienen, en Diksmuide.

In de noordelijke Nederlanden – waar ze een belangrijke rol speelden tijdens de “alteratie”, periode waarin beoefening van het katholicisme verboden was en kerken en kloosters onteigend werden, maar begijnhofjes om een of andere reden werden gedoogd – staan de begijnhoven van Amsterdam, Breda, Delft en Haarlem nog overeind (in Haarlem, o ironie van het lot, is het begijnhof nu … de rosse buurt). In Middelburg maakte het begijnhof plaats voor een studentencampus. Aan het begijnhof van Utrecht herinneren nog slechts een paar straatnamen. En van de vroegere vier begijnhoven in Leiden staat nog slechts een deel van de gebouwen op het Rapenburg er nog.

In de zuidelijkste Nederlanden ten slotte vinden we nog begijnhoven in Sint-Waast (Avesnes-sur-Helpe) en Valencijn.

Uitzicht begijnhoven

Een begijnhof is dus, zoals u al kon afleiden uit het voorgaande, een verzameling van individuele en/of gemeenschappelijke woningen (die laatste zijn de conventen) van begijnen, doorgaans in de nabijheid van een kapel of kerk en al dan niet omgeven door een muur met een of meerdere toegangspoorten.

Tijdens de 13de eeuw nam de omvang van de beweging, zoals gezegd, dermate toe dat ze zich in nieuw opgerichte begijnhoven omringd door een gracht en een muur buiten de stad terugtrok. Door het aldaar bouwen van een kerk hoefden de begijnen zich ook niet meer in de stad te begeven. Tijdens de Contrareformatie echter verplichtte de Kerk de religieuze bewegingen zich te vestigen binnen de verdedigingswerken van de steden (met als uitleg dat de begijnhoven maar al te vaak afgebrand werden door de stedelingen om te beletten dat aanvallers ze zouden gebruiken als bescherming of anderzijds vernietigd werden door plunderende bendes), waardoor in de Lage Landen vaak een ommuurde stad binnen de stad ontstond (uitzondering op dit vlak is het begijnhof van Sint-Truiden dat zich nog steeds extra muros bevindt). In een aantal gevallen werd voor die stad binnen de stad uiteindelijk toestemming gekregen om een eigen parochie op te richten, waardoor overleden begijntjes ook op het begijnhof konden begraven worden en een aantal andere voorrechten ontstonden.

We zeiden al dat er drie types begijnhoven waren: het stedelijke type, het pleintype, en het gemengde type. Tot het stedelijke type behoren die begijnhoven die oorspronkelijk buiten de stad lagen. Omdat de begijnen als bron van inkomsten vaak de was deden voor de stedelingen was een zogenaamde “bleekweide” bijna altijd deel van het begijnhof. Tot het pleintype behoren die begijnhoven met een driehoekig of rechthoekig binnenplein. Tot het gemengde type behoren ten slotte die begijnhoven waarbij rond een binnenplein/weide een dubbele rij huizen gebouwd werd, zodat een straat ontstond.

Unesco schrijft in zijn verantwoording voor het beschermen van de Zuid-Nederlandse begijnhoven dat ze “uitzonderlijke fysieke karakteristieken van stedelijke en rurale planning en een combinatie van religieuze en traditionele architectuur in stijlen specifiek voor de Vlaamse culturele regio vertonen”. “Ze vormen ook een schitterend voorbeeld van een architecturaal geheel verbonden aan een religieuze beweging karakteristiek voor de Middeleeuwen, seculiere en religieuze waarden verbindend”.

Slot

Dat ze bij de Verenigde Naties niet meer helemaal “mee” zijn, wordt bewezen door het feit dat ze schrijven dat er nog zo’n dozijn begijnen leven in de verschillende begijnhoven die Vlaanderen rijk is, maar waarin ze bij Unesco wel gelijk hebben, is het feit dat de begijnhoven “havens van stilte” binnen de stad vormen. Wij durven een bezoek aanraden aan bijvoorbeeld de begijnhoven van Brugge, Dendermonde of Leuven (van de eerste twee vindt u eigen foto’s op deze pagina’s), maar zouden u tevens adviseren dat bezoek alleen of hoogstens met zijn tweeën af te leggen. De stilte in deze stukken Werelderfgoed moge dan niet meer gewijd zijn, wie de moeite doet er een uurtje rond te hangen zonder zelf het lawaai van de omringende steden binnen te brengen, zal er tóch van genieten.

Björn Roose

Teksten - Bicamerisme in de Nederlanden

Politiek – Bicamerisme in de Nederlanden

(Gepubliceerd in De Brug, juni 2014)

Inleiding

Bicamerisme, ofte het tweekamerstelsel, is een systeem van politieke vertegenwoordiging waarin de wetgevende macht bestaat uit twee kamers. Hoewel het stelsel gebaseerd is op theorieën die reeds werden ontwikkeld in het antieke Griekenland en Rome, dateren de eerste praktische toepassingen ervan uit het middeleeuwse Europa. In die middeleeuwen kwam men namelijk her en der tot het inzicht dat “het volk” dan wel op de een of andere manier moest vertegenwoordigd worden in de politiek, maar men mengde de vertegenwoordigers van dat volk toch liever niet met de adel, die het tot op dat moment voor het zeggen had. Aldus ontstond een “Hogerhuis”, ofte Eerste Kamer, met daarin de vertegenwoordigers van de adel, en een “Lagerhuis”, ofte Tweede Kamer, met daarin de volksvertegenwoordigers.

Hoewel het bicamerisme nog steeds bestaat in bijvoorbeeld Nederland, België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, en Ierland, is er vandaag, op een enkele uitzondering na, geen sprake meer van zetelen in een bepaalde kamer op grond van afkomst. Onder andere in de Verenigde Staten is het zo dat het Hogerhuis de unie (de confederatie) vertegenwoordigt, terwijl het Lagerhuis de bevolking vertegenwoordigt, een systeem dat werd ingevoerd als tegemoetkoming aan de staten met een kleiner bevolkingsaantal, die vreesden van geen tel te zullen zijn in een eenkamerstelsel.

In andere landen werd een hogere minimumleeftijd ingesteld voor de Eerste Kamer (vaak ook Senaat genoemd) dan voor de Tweede Kamer (dikwijls gewoon als de Kamer aangeduid), vanuit de gedachte dat de behoudsgezindheid van de adel kon vervangen worden door de behoudsgezindheid die vaak samen gaat met de leeftijd en dat zo de Eerste Kamer verder als rem kon dienen tegen de vaak té grote impulsiviteit van de Tweede Kamer. De Eerste Kamer deed immers het wetgevende werk van de Tweede Kamer nog eens over tot het in de Tweede Kamer aangenomen voorstel ook door de Eerste Kamer werd aangenomen. Ook dát is echter aan het veranderen, zoals we straks zullen zien.

In de Zuidelijke Nederlanden: één kamer

Wikipedia schrijft: “de meeste landen met een eenkamerstelsel zijn kleine landen met een homogene bevolking, die een hogerhuis overbodig vinden”. Dat “kleine” lijkt een beetje kort door de bocht als we zien dat onder andere Turkije, Zuid-Korea, Venezuela, Taiwan, Sri Lanka en Burkina Faso, alle met een grotere bevolking dan Noord-Nederland, het stelsel hanteren, maar dat van de “homogene bevolking” kan wel eens kloppen. Voor Vlaanderen ging dat ten tijde van de oprichting van het parlement, toen nog Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap geheten, in 1971 alleszins op. Die Cultuurraad werd immers door de Belgische grondwet voorzien als vertegenwoordiging van énkel de Nederlandse (Vlaamse) gemeenschap, zij het louter op het vlak van taal en cultuur en in minimale mate onderwijs.

Omdat dat Vlaams Parlement tot op de dag van vandaag enkel de bevoegdheden heeft die het Belgische, zogenaamd “federale”, niveau het toewijst, houdt daar het verhaal op. Wij zouden het Vlaams Parlement, in tegenstelling tot cynischer ingestelde mensen, niet dúrven aanduiden als het “boerenparlement”, maar het blijft helaas een kind dat aan het handje van papa België moet lopen. Over naar papa dus.

In België: anderhalve kamer

Niets in België is eenvoudig. Dat geldt dus ook voor het kamerstelsel.

De Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Tweede Kamer dus, telt 150 leden, wordt verkozen voor vier jaar, en gevuld met kandidaten uit 11 zogenaamde kieskringen, zijnde de 10 provincies (daarover een andere keer meer) én Brussel-Hoofdstad (19 gemeenten). Vóór de Belgische staatshervorming van 2012 (ook over die staatshervormingen hebben we het graag een volgende keer) waren er ook al 11 kieskringen, maar toen lagen ze enigszins anders: in de provincie Vlaams-Brabant had je toen de kieskring Leuven enerzijds en Halle-Vilvoorde anderzijds dat samen met Brussel-Hoofdstad de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde vormde.

Uitwijden over de verschillende bevoegdheden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers zou ons in deze context te ver leiden, maar we moeten het toch even over de “bijzondere wetten” hebben. Via dergelijke wetten, ook “bijzondere meerderheidswetten” genoemd worden institutioneel en communautair gevoelige dossiers geregeld (of in de praktijk: niét geregeld). Om zo’n wet aan te nemen, te wijzigen of af te schaffen volstaat een gewone meerderheid van de parlementsleden namelijk niet. In tegendeel: ten eerste moet 2/3de van de Kamerleden vóór stemmen, ten tweede moet de meerderheid van elke taalgroep aanwezig zijn, ten derde moet meer dan de helft van de leden van elke taalgroep vóór stemmen. In concreto wil dat zeggen dat zelfs als álle Vlaamse partijen een voorstel zouden steunen ze er geen dergelijke wet kunnen doordrukken, terwijl ze toch 87 van de 150 zetels in handen hebben. Sterker nog, zelfs al zouden die 87 Vlamingen steun krijgen van 13 Franstaligen, zou dat niet volstaan omdat ze minstens de steun van de helft van de Franstaligen, zijnde 32 volksvertegenwoordigers nodig hebben. Maar het kan nóg erger: de meerderheid van een taalgroep (langs Franstalige kant 32 mensen dus) kan wegblijven uit het parlement, óf de meerderheid van de aanwezigen van een taalgroep kan tegenstemmen. Om tot een geldige stemming te komen moeten met andere woorden slechts 44 Vlamingen en 32 Franstaligen aanwezig zijn, maar het volstaat dat van die aanwezige Franstaligen 16 tegen stemmen om de “bijzondere wet” tegen te houden. Een overwicht van 103 ja-stemmen (87 Vlamingen en 16 van de 32 aanwezige Franstaligen) kan dus geneutraliseerd worden door 16 nee-stemmen (de andere aanwezige Franstaligen). Dit alles wordt dan aangeduid als een bescherming van de Franstalige minderheid “tegen het eenzijdig opleggen van hun wil door de Vlamingen op het institutionele vlak”. Wij noemen dat het eenzijdig opleggen van hun wil door een kleine minderheid van de Franstaligen op het institutionele vlak ...

En dan is er ook nog de Senaat, de Eerste Kamer. Na de Belgische secessie van 1830 werd er geopteerd voor een verkozen Senaat. De verkiesbaarheidsvoorwaarden waren echter dusdanig dat slechts 400 mensen in heel België er aan konden voldoen. Sindsdien werd ter zake natuurlijk een en ander veranderd. In 1893 werd de cijnsvereiste verlaagd en werden provinciale senatoren ingevoerd, dit opdat elke provincie verzekerd zou zijn van betrokkenheid bij de nationale besluitvorming (deze senatoren werden pas 100 jaar later, in 1993, weer afgeschaft). In 1920 werden de “gecoöpteerde” senatoren ingevoerd met de bedoeling ... wat meer kwaliteit in de Senaat te bregen door mensen met verdienste in de samenleving te betrekken bij de totstandkoming van de wetten. In datzelfde jaar werd de cijnsvoorwaarde afgeschaft en kwam er een lijst van 21 mogelijke voorwaarden waaraan men kon voldoen. Aangezien zo ongeveer iedereen voldeed aan minstens één van die voorwaarden was er nog nauwelijks verschil in verkiesbaarheid tussen Senaat en Kamer.

In 1993 kregen we vervolgens de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van de parlementsleden. Waar tot op dat moment de “deelstaatparlementen” (bijvoorbeeld de eerder genoemde Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap) bestonden uit de leden van die taalgroep binnen het federaal parlement, werd dit dubbelmandaat afgeschaft en waren er opeens 318 extra parlementairen nodig. Ter compensatie werd het aantal volksvertegenwoordigers teruggebracht van 212 naar 150 en het aantal senatoren van 184 tot 71 (wie even meerekent, weet dat er dan nog steeds 143 parlementairen bij kwamen), terwijl er ook een nieuwe categorie senatoren werd ingevoerd: de gemeenschapssenatoren. Die laatsten hadden dan tóch een dubbelmandaat, want werden als leden van hun deelstaatparlement aangeduid om ook in de Senaat te gaan zetelen. Resultaat: 40 rechtstreeks verkozen senatoren, 21 gemeenschapssenatoren en 10 gecoöpteerde senatoren. En dan hebben we het nog niet gehad over de senatoren van rechtswege: de meerderjarige kinderen van de zetelende Belgische koning, en daarmee een restant van het “Hogerhuis” zoals dat er oorspronkelijk uitzag.

Maar ook daaraan kwam dit jaar een eind: de rechtstreeks verkozen senatoren én de senatoren van rechtswege zijn afgeschaft, er blijven alleen nog gemeenschapssenatoren en gecoöpteerde senatoren over. En ze zijn nog slechts met 60, waaronder 35 Nederlandstalige, 24 Franstalige en 1 Duitstalige (In de Kamer worden de Duitstaligen overigens qua taalgroep ... onder de Franstaligen gerekend). Meer dan genoeg echter om te doen wat ze nog moeten doen: één keer per maand samenkomen met als enige bevoegdheden staatshervormingen en het koningshuis. Daarmee vergeleken bruist de Noord-Nederlandse Eerste Kamer van activiteit.

In Noord-Nederland: twee kamers

De Eerste Kamer der Staten-Generaal, kortweg de Eerste Kamer, telt 75 zetels (voor 1956 waren dat er 50) en komt eens per week bijeen om de wetsontwerpen die al door de Tweede Kamer gepasseerd zijn nog eens te bespreken. Daarmee doet die Eerste Kamer wat oorspronkelijk zo’n beetje de bedoeling van het bicamerisme was, zij het dat het ontstaan ervan een andere reden had.

In 1815 werd de toenmalige Staten-Generaal namelijk op verzoek van de Zuidelijke Nederlanden, toen net weer herenigd met de Noordelijke, gesplitst in twee kamers ... om de adel een plaats in het parlement te geven. De Noordelijke Nederlanden aanvaardden dit onder voorwaarde dat niet alleen edelen lid mochten worden, maar ook allen die “door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van de lande behoren”. De koning benoemde de leden van de Eerste Kamer voor het leven.

De Belgische afscheuring zorgde niet voor een terugkeer naar het eenkamerstelsel, maar bij de grondwetsherziening van 1848 werd wel bepaald dat de Provinciale Staten de leden van de Eerste Kamer zouden kiezen. In 1887 veranderde de inkomenseis, de cijnsvoorwaarde zeg maar, en konden ook burgers die een hoog ambt hadden bekleed verkozen worden in de Eerste Kamer. In 1917 werden, samen met de invoering van het passieve kiesrecht voor vrouwen, alle overige beperkingen om lid te worden opgeheven. In 1983 ten slotte werd de zittingsduur verminderd van zes jaar naar vier jaar en werd het systeem afgeschaft waarbij om de drie jaar de helft van de leden door de helft van de provincies werden gekozen.

Gebleven is echter de getrapte verkiezing: de Eerste Kamer wordt niet rechtstreeks gekozen, maar door de Provinciale Staten en dat binnen de drie maanden na de verkiezingen van die laatste. Bovendien weegt niet elke stem even zwaar. Dat laatste wilden we in eerste instantie aan u uitleggen, maar we kwamen er zélf niet helemaal uit, dus laten we het maar. En over het feit dat de overzeese gebieden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba niet vertegenwoordigd zijn omdat ze niet behoren tot een provincie zwijgen we verder ook, da’s namelijk een kwestie die nog volop in verandering is.

Over naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ook Tweede Kamer genoemd. Deze heeft, zoals de Belgische versie daarvan en ondanks het lagere rangtelwoord, meer macht dan de Eerste, wat zich onder andere uit in het feit dat een minister of een kabinet niét het vertrouwen moet hebben van de Eerste Kamer maar wel van de Tweede.

Sinds 1956 bedraagt het aantal zetels in de Tweede Kamer 150, waarmee ze even groot is als de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, alleen is dat geen kwestie van een vermindering maar van een vermeerdering: voor 1956 waren er namelijk slechts 100 Kamerleden (de leden van de Eerste Kamer worden overigens aangeduid als Statenleden). In 1840 en 1848 werd de Tweede Kamer overigens tijdelijk aangevuld met buitengewone leden verkozen door de Provinciale Staten (zoals die van de Eerste Kamer dus) in het kader van de grondwetsherzieningen in die jaren.

Geen gedoe met taalgroepen en dergelijke in het Noord-Nederlandse parlement, een meerderheid van de stemmen onder de aanwezigen telt. De meeste stemmingen worden vooraf gepland, waardoor iedereen weet dat hij geacht wordt aanwezig te zijn, in het geval van ongeplande stemmingen laat de voorzitter in het hele gebouw een bel overgaan en geeft hij de leden even de tijd om zich naar het halfrond te haasten. Wie wel eens een dagje in het Belgisch parlement heeft doorgebracht, weet dat het er daar niet anders aan toe gaat.

Tot slot, en omdat het de doelstelling van dit blad is de Nederlanden dichter bij elkaar te brengen, een woordje over de openbaarheid van de zittingen van de Tweede Kamer: die was er aanvankelijk niet. Pas met de hereniging van de Nederlanden werden de zittingen, onder druk van de Zuidelijke Nederlanden, openbaar.

Björn Roose